( ingezonden door Aad Schut)

lezersAMSTERDAM-NOIR-In 1878 werden de eerste cocastruiken vanuit Bolivia naar de Hortus Botanicus in Buitenzorg op Java gebracht. Kort daarop werd gestart met de verbouw van het gewas voor commerciële doeleinden op Java, Madoera en Sumatra. Vooral de Koloniale Bank van Amsterdam speelde een belangrijke rol in de cocaproductie en -handel. Uit de jaarverslagen van deze bank blijkt dat al in 1891 bijna twintig ton bladeren verhandeld werd.Gedurende de jaren daarna tot aan de eeuwwisseling verhandelde de Koloniale Bank tussen de 34 en 81 ton cocabladeren.

Cocaïnefabriek
“Ik denk dat weinig Nederlanders afweten van het bestaan van de Nederlandse Cocaïnefabriek, omdat men er natuurlijk niet trots op is. Politici hebben zoveel mogelijk bewijs weggedrukt na de wereldoorlogen. Op een enkeling na is het zelfs bij historici onbekend. Het is natuurlijk ook schandalig dat we in de Eerste Wereldoorlog zoveel hebben verdiend met cocaïne.” Nederland heeft in die tijd inderdaad veel verdiend; naast de Verenigde Staten kwam ons land als rijkste uit die oorlog. De belangrijkste inkomstenbron? Cocaïne. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog kondigde Nederland een exportverbod af. Maar enkele weken later komen we daar al weer op terug. En vanaf dat moment levert de Nederlandsche Cocaïnefabriek aan alle landen die in oorlog zijn.Aandeelhouders waren de grote banken en het koninklijk huis.

Vechtmachines
Dat cocaïne zo goed verkocht tijdens de oorlogen is niet vreemd. Onderzoeker Theodor Aschenbrandt testte cocaïne op Duitse soldaten en de resultaten waren veelbelovend. “In zijn rapport uit 1883 ‘Die psychologische Wirkung und Bedeutung des Cocain’ beschrijft hij hoe uit tests met coke op Duitse soldaten bleek dat hun uithoudingsvermogen toenam en dat honger en angst afnamen. Daarnaast nam hun zelfoverschatting toe en werden ze makkelijker opgehitst. Kortom: coke maakt goede vechtmachines van hen.”

Onderzoek
Braam weet ontzettend veel van de Nederlandsche Cocaïnefabriek, maar dat ging allemaal niet vanzelf, zo vertelt ze. “Het was niet makkelijk om informatie te achterhalen over de fabriek. Het was een zoektocht waarin ik twee jaar lang, zeven dagen in de week bezig was; ik voelde me net een detective. Ik moest veel frustratie wegslikken. Je kon niet zeggen dat je onderzoek deed naar cocaïne, dan gingen alle deuren voor je dicht. Ik zei dat ik informatie zocht over het gebruik van geneesmiddelen in de Eerste Wereldoorlog, en zo kon ik in het geheim onderzoek doen. Vooral in Engeland en Duitsland moest ik zeer voorzichtig zijn. Tijdens mijn onderzoek heb ik weinig mensen gesproken die persoonlijk bij de fabriek betrokken waren. Je kan moeilijk een oproep plaatsen in de krant, want dan zou iedereen weten waar ik onderzoek naar deed. Nadat het boek was geschreven kreeg ik wel contact met oudwerknemers en hun familie. De werkgevers wisten dat ze fout bezig waren, maar de arbeiders niet. Die waren al blij dat ze een baan hadden. Het betaalde blijkbaar erg weinig, ondanks dat ze met veel chemische stoffen en dergelijke werkten. Ook de veiligheidsmaatregelen waren erg slecht in de fabriek.”

Tweede Wereldoorlog
Maar niet alleen in de Eerste Wereldoorlog speelde de fabriek een rol. “Na het onderzoek kwam ik erachter dat in 1942 de productie van de fabriek weer flink omhoog ging. Toen Nederland bezet werd door Duitsland hebben we voor de Duitse soldaten amfetamine (speed) geproduceerd. Wat ik erg vreemd vond was dat na de Tweede Wereldoorlog veel bedrijven werden gestraft voor collaboratie, maar de Nederlandse Cocaïnefabriek niet. De Nederlandse politici probeerden dit natuurlijk zo snel mogelijk weer weg te stoppen.”

Een minder bekend feit over Nederland en drugs is de Nederlandse Cocaïnefabriek, die bestond van 1900 tot 1962, en een rol speelde in zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog. De Cocaïnefabriek is een fenomeen waarvan weinig Nederlanders afweten. En dat is niet zo heel verwonderlijk, vertelt Braam.

In eerste instantie werden de partijen naar Duitsland geëxporteerd, maar door de groeiende vraag naar cocaïne en de stijgende productie op Java zag men ook brood in de eigen fabricage van cocaïne. De Nederlandsche Cocaïnefabriek werd daartoe door de Koloniale Bank (later Cultuur-, Handels- en Industriebank, daarna Cultuurbank NV), op 12 maart 1900 opgericht.

De verwerking tot cocaïne vond plaats in een door H.H. Baanders ontworpen gebouw op de hoek van de Eerste Schinkelstraat en de Schinkelkade te Amsterdam. Het product werd gebruikt als geneesmiddel voor hals-, borst- en longziekten. In 1902 werd de fabriek aan de Schinkelkade uitgebreid. Rond 1909 is aan de Duivendrechtsekade een nieuwe fabriek gevestigd die gaandeweg steeds verder werd uitgebreid.

Door de Eerste Wereldoorlog profiteerde de NCF en groeide het bedrijf nog verder uit. Er gold weliswaar een exportverbod voor geneesmiddelen uit het neutrale Nederland, maar de NCF kreeg hier een ontheffing voor. De Opiumwet 1919 bepaalde dat cocaïne alleen maar geproduceerd mocht worden door bedrijven met een vergunning. Dat was op zich niet zo bezwaarlijk, want dergelijke vergunningen werden zonder problemen verstrekt door de overheid en zeker aan de “eigen” Nederlandsche Cocaïnefabriek in Amsterdam. In 1928 mocht het echter alleen nog als geneesmiddel worden vervaardigd en niet meer als genotmiddel. Niet alle omringende landen hadden echter aan de conferentie in Den Haag deelgenomen en de vrijhandel en productie bleef.

In 1923 bedroeg de aanplant op Java ca. 1400 hectare. Begin jaren 1920 vervaardigde de NCF 20% van de cocaïne in de wereld en was marktleider. De hoogste jaarproductie lag op circa 1500 kilo. In de Opiumwet van 1928 werden de bepalingen van het opiumverdrag van Genève uit 1925 overgenomen. Met een certificatenstelsel voor de in- en uitvoer werd de internationale handel beperkt tot verdovende middelen voor medische en wetenschappelijke doeleinden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in de fabriek efedrine geproduceerd.

In de jaren 1970 werd de fabriek overgenomen door AkzoNobel. Tot oktober 1972 was de Nederlandse Cocaïnefabriek een naamloze vennootschap. De doelstelling was allang veel breder dan “het vervaardigen van chemische producten, in hoofdzaak cocainum hydrochloricum en bijproducten en de verkoop daarvan”. In maart 1975 werd de naam gewijzigd in NCF Holding BV met AkzoNobel als moedermaatschappij. Cocaïne was een te beladen onderwerp geworden om nog voluit onderdeel van de naam van de fabriek te kunnen zijn.