Amsterdam- Noir-Paul Verhaeghe bekritiseert 
de neoliberale ratrace en de farmaceutische 
zielzorg. 
‘Ritalin, dat geef je niet 
aan kinderen, help.

Plotsklaps geldt de Vlaamse hoogleraar klinische psychotherapie Paul Verhaeghe als de man die het nieuwe onbehagen in de cultuur doorgrondt. Was hij gewend zijn patiënten in de beslotenheid van zijn werkkamer te beluisteren, recentelijk neemt hij in het openbaar heel de samenleving in analyse. Zijn verklaring van het moderne malheur: wij zijn allen ziek gemaakt door het huidige economische bestel.

Terwijl produceren, consumeren en genieten de heilige drievuldigheid van het neoliberale geloof vormen, komt er juist minder waardevols uit onze handen en voelen we ons leger, eenzamer en treuriger dan ooit.

Verhaeghes boodschap slaat aan in tijden van crisis en verwarring. De eerste lijnen ervan zette hij uit in Het einde van de psychotherapie (2009). Eigenlijk had hij dat voor vakbroeders geschreven. Maar de schrijver Erwin Mortier, met wie hij bevriend is, vond dat het een breder publiek verdiende. Op zijn advies gooide hij het boek helemaal om en legde hij het voor aan uitgeverij De Bezige Bij. Het werd een groot succes. Sindsdien trekt Verhaeghe van Zweve zele naar Genoelselderen om in zaaltjes voor vakgenoten, ondernemers en mensen uit het onderwijs zijn verhaal te doen. 



Geliefde lijfspreuk

‘Ik ben heel blij dat ik bij links en rechts gehoor krijg,’ zegt Verhaeghe in de woonkamer van zijn met zonnepanelen bedekte, vrijstaande woning aan een romantisch landweggetje op het Vlaamse platteland. ‘Maar persoonlijk heb ik het er wel moeilijk mee. Ik ben grootgebracht met het idee dat bescheidenheid een deugd is. Een door mij geliefde lijfspreuk van Descartes is “leef verborgen”. Ik heb mijn publieke positie altijd apart gehouden van mijn privézaken. Dat wordt nu plots een stukje moeilijker.’

Zeker nu zijn nieuwe boek Identiteit verschijnt. Daarin neemt Verhaeghe afscheid van ooit door hem gekoesterde overtuigingen. ‘Toen ik de jarenzeventigstudent was, heb ik het radicaal fout gezien,’ zegt de hoogleraar aan de Universiteit Gent. ‘Wij hadden het toen over de authentieke persoonlijkheid, over het autonome zelf. Dat zijn illusies. Een authentiek zelf is een autistische persoon. Die staat echt op zijn eentje, die heeft geen contact met anderen. Wij reageerden op de voorafgaande periode waarin iedereen in het keurslijf van de groep zat, met als extreme vormen het fascisme en communisme. Nu zijn we doorgeslagen in het andere extreem. Nu is er te veel versplintering, te weinig aansluiting, te veel eenzaamheid uiteindelijk.’

We ontwikkelen ons tot wie we zijn door de spiegel die de omgeving ons voorhoudt, denkt de psychoanalyticus, die een grote reputatie heeft als kenner van Freud en Lacan. In het proces van identiteitsvorming worden we voortdurend heen en weer geslingerd tussen twee polen: het verlangen naar identificatie, de wens deel uit te maken van een groter geheel, en separatie, het streven naar onafhankelijkheid en autonomie. De mens in balans is degene die een evenwicht vindt tussen deze twee driften. Maar momenteel domineert de separatiedrang. Een voor de identiteitsvorming nogal belangrijke spiegelfiguur, de ander als autoriteit, hebben we van de troon gestoten.

Opnieuw steekt Verhaeghe de hand in eigen boezem. ‘In de jaren zestig, zeventig hebben wij niet begrepen dat er een onderscheid is tussen macht en autoriteit. Op grond van Stalin en Hitler hebben we ze laten versmelten. Maar zij waren machtsfiguren, geen gezagvoerders. Macht is ziekelijk: jij moet doen wat ik zeg, want ik ben sterker dan jij. Autoriteit is: wij zijn onderworpen aan bepaalde regels, ik ook, maar ik representeer deze regels voor jou om een aantal redenen: leeftijd, functie, wat dan ook. Dat is weg, dat mag niet meer.’

In het gat dat de oude gezagdragers achterlieten, is een nieuwe machthebber gesprongen. ‘Toen we afscheid namen van het patriarchale model, koesterden we de illusie dat er natuurlijke normen en waarden zouden komen en een natuurlijke man-vrouwverhouding,’ herinnert Verhaeghe zich. ‘Maar normen en waarden leer je vanuit de omgeving. Het morele vacuüm is opgevuld door iets dat veel erger is: heel dat efficiency-denken. Wie dat het best beschreven heeft, is de Schotse moraalfilosoof Alasdair MacIntyre in zijn boek After Virtue, geen gemakkelijk boek, hoor, ik heb er een paar maanden op mogen studeren. Een van de rake dingen die hij schrijft, is dat we te maken hebben met een nieuwe morele norm die juist zo gevaarlijk is omdat hij niet gepresenteerd wordt als een morele norm. Je moet efficiënt zijn, prestatiegericht, competitief, je moet slagen. Als je het niet maakt, ben je of gestoord of mislukt. Vandaar dat er twee nieuwe hogepriesters zijn: de manager en de psychotherapeut. Psychotherapeuten dienen er nu toe om mensen draaiende te houden, om mensen terug in het systeem te krijgen.’

Materieel succes wijst u aan als de belangrijkste morele maatstaf van vandaag. Berust de maatschappelijke waardering voor televisiesterren, wetenschappers en schrijvers dan louter op hun rijkdom?
‘Het is toch zeer dominant, hoor. Mijn vader is een ambachtsman. Hij was bij de vrijwillige brandweer in een klein dorpje. Na vijfentwintig jaar kreeg hij een ereteken daarvoor. Die man was daar enorm trots op, het stond bij ons op de schoorsteen en hij beschouwde dat als een erkenning dat hij iets gedaan had voor de samenleving. Tegenwoordig krijg je als je vijftien jaar hoogleraar bent ook een lintje, gewoon vanwege het feit dat je die titel hebt. De reactie in de faculteitsraad van het merendeel van de jonge hoogleraren was: ze zouden ons beter opslag geven.’

Hebzucht is de deugd die bij de norm effectiviteit hoort, stelt u. Vanwaar dan die enorme morele verontwaardiging over graaiende bankiers?
‘Greed is good is natuurlijk een verwijzing naar Ayn Rand, die met Atlas Shrugged de ultieme kapitalistische utopie schreef. Iedereen ageert wel tegen de banken en bonussen en tegen de managers die van alles binnenrijven. Maar tezelfdertijd is het zo dat wij nog altijd gaan kijken welke supermarkt producten het goedkoopst aanbiedt. We zijn nauwelijks bereid een normale prijs te betalen voor voeding. Voeding wordt nog altijd gesubsidieerd in Europa. Dat is een andere vorm van hebzucht die verdoken is en waarvan we niet eens beseffen dat het hebzucht is.’

Het gebod is genieten, maar we genieten minder dan ooit. Hoe weet u dat?
‘We hebben nog nooit zo veel depressies en burn-outs gehad. Mijn Britse collega Mark Fisher heeft daar een schitterende uitdrukking voor: de huidige gemoedstoestand kunnen we het best omschrijven als depressive hedonia. We zijn gezond, hebben geen honger, we leven als koningen, maar we voelen ons niet zo.’

Rank and Yank
Verhaeghes verklaring voor die paradox is dat we in een Enron-maatschappij leven. Eind vorige eeuw voerde de Amerikaanse multinational het ‘Rank and Yank’-systeem in. Het bedrijf begon de prestaties van zijn werknemers continu te monitoren. De hoogvliegers kregen een dikke bonus, de achterblijvers werden eerst publiekelijk vernederd en er later uitgegooid. Dit model ziet Verhaeghe als een extreme uiting van een neoliberaal credo dat de identiteitsvorming in onze samenleving domineert: mensen zijn competitieve wezens. Hun onderlinge strijd op de vrije markt zorgt voor de hoogste prestaties en beste producten. En daar is ethisch gesproken ook nog eens niets mis mee, zo luidt de boodschap, want iedereen wordt beloond naar verdienste. Je eigen slagen of falen heb je volledig zelf in de hand. Met die illusie worden we van jongs af aan grootgebracht.

‘

Het onderwijs is zo competitief geworden dat kinderen elkaar vanaf de leeftijd van tien, elf jaar als concurrenten beschouwen,’ zegt Ver haeghe. ‘Dat is dodelijk voor sociale verbanden. Het meest gebruikte scheldwoord op het schoolplein is hier loser. Ik vind dat verschrikkelijk. De afgelopen tijd heb ik ook veel lezingen gegeven voor mensen uit het onderwijs. Wat leerkrachten mij overal vertellen, is dat leerlingen die in hogere onderwijsvormen zitten met minachting neerkijken op leerlingen uit lagere niveaus. Dat was niet zo toen ik kind was. Ons werd uitdrukkelijk geleerd samen te werken en respect te hebben voor de anderen. Als we een keer wonnen, moesten we onze prijs meteen delen met de anderen.’

Paradoxaal genoeg leidt de dwang productief te zijn tot de wildgroei van een niet-productieve managementlaag. ‘Een neoliberale samenleving is eigenlijk een implementatie van survival of the fittest,’ legt de Gentse hoogleraar uit. ‘Je moet alleen diegenen belonen die het productiefst zijn. Dat betekent dat je een heel sterk evaluatiesysteem moet maken om mensen te vergelijken. Maar als je daar een keer aan begint, is het hek van de dam. Ieder een wil tot de top behoren, iedereen past zich aan de evaluatiecriteria aan, zodat er steeds nieuwe bij moeten komen. Voor je het weet, heb je een heel complex meetsysteem. De administratie daarvan wordt hoe langer hoe omvangrijker. Bij mij op de universiteit is het facultaire ondersteuningsbureau in vijftien jaar tijd gegroeid van twee mensen naar achtentwintig. Dat staat vol met computers, waarachter mensen zitten te steunen dat het systeem weer veranderd is. Een soort infernale machine.’

Iedereen zucht onder het systeem, niemand laat zich erop aanspreken, constateert Verhaeghe. ‘Ik had een gesprek met mijn rector, die toch geen kleine universiteit bestuurt. Ook hij zegt: ik kan niets doen, ik zit vast in het systeem. Hij beschouwt zich als iemand die alleen maar dingen moet uitvoeren.’ De psychoanalyticus vindt het panopticum van Bentham een prachtige metafoor voor wat er aan de hand is. Zoals in een koepelgevangenis waar één bewaker vanuit een centraal punt iedereen kan controleren. ‘Alleen is het panopticum in de huidige versie leeg.

‘Macht is ziekelijk: jij moet doen wat ik zeg, want ik ben sterker dan jij’

Big Brother is overal, in functioneringsgesprekken, evaluaties en cameracontrole. Maar het is een ijle stem in de lucht, je kan er niet naartoe stappen. Toen wij zestien waren, konden we ons beklag doen bij de rector van de middelbare school. Die man antwoordde ons. Als je nu naar de directeur van een school stapt, zegt hij waarschijnlijk: ja, je hebt gelijk, maar ik kan niet anders, ik moet nu eenmaal dit doen van het ministerie.’

Spaarcenten
De stemming van nu doet Verhaeghe denken aan de jaren dertig, schrijft hij nogal straf in Identiteit. ‘Wat in ieder geval vergelijkbaar is, is dat we een polarisatie krijgen,’ licht hij toe. ‘In Duitsland stonden de fascisten en communisten tegenover elkaar. In België hebben we geen traditie van uiterst links. Nu begint dat plots op te komen. Het boek Hoe durven ze? van Peter Mertens, de partijvoorzitter van de Belgische communisten, is aan de achtste of negende druk toe. Aan de andere kant staat Bart De Wever, die eigenlijk ultrarechts en nationalistisch is. We hebben een sterk gepolariseerd klimaat en de economische crisis maakt dat alles in versneld tempo gebeurt.

Óf we gaan dit democratisch oplossen op Europees niveau. We zullen dan echt serieus moeten ingrijpen bij de banken, in de financiële sector, en in de arbeidsorganisatie. In vijftien jaar tijd krijg je dan een ander vertoog en een andere identiteit. Óf we gaan naar revolutionaire tijden en de onlusten die we nu in Spanje zien, breiden zich uit. Ik hoop dat het democratisch gaat gebeuren, maar ik zie op dit moment geen politici die de moed hebben een aantal dingen te veranderen. Het is even belangrijk dat mensen op individueel niveau hun verantwoordelijkheid nemen. Als meer en meer mensen ervan overtuigd zijn dat heel dit bankensysteem misdadig is, dan zou het toch logisch zijn dat ze hun spaarcenten elders onderbrengen. Als je ervan overtuigd bent dat heel het beurzensysteem zeer slecht is voor de economie, moet je niet met aandelen bezig zijn.’

Tot Verhaeghes vreugde begint men juist in het bedrijfsleven de beperkingen van het ongeremde neoliberalisme te zien. ‘Een van de moeilijkheden die ze daar hebben, is het houden van de goede mensen. Het is onderdeel van het huidige systeem dat mensen nauwelijks binding hebben met een bedrijf en verkassen als ze elders meer geld kunnen verdienen. Bedrijven ontdekken nu dat mensen zich beter voelen en minder snel geneigd zijn te vertrekken vanaf het ogenblik dat je ze meer medeverantwoordelijkheid geeft. Maar ik vrees dat het neoliberale systeem in het onderwijs en de zorg nog wel een tijdje dominant zal zijn. De universiteiten zitten compleet in het stramien van publish or perish. Langetermijnonderzoek wordt nog nauwelijks gedaan. Je krijgt het Stapel-effect, de vervalsingen. Daarvan hebben we nog maar het topje van de ijsberg gezien.’

Morele afwijkingen
Ook in de zorg domineert het neoliberale denken. Boos tekent Verhaeghe in zijn boek op dat een groot ziekenhuis in Vlaanderen alle psychiatrische bedden afstootte omdat ze minder opleverden dan cardio-bedden. In Nederland is het naar hij vreest niet veel beter gesteld. ‘Hoe bij jullie heel de zorgsector is georganiseerd louter op grond van een marktmodel en bovendien met een protocollaire aanpak, allez jongens, help, help.’

Hij doelt op het systeem van de diagnose-behandel-combinatie, waarbij bij elke diagnose volgens een protocol een standaard behandeling wordt uitgevoerd. ‘Wat ik echt niet snap, is dat men claimt dat alles evidence based moet zijn, terwijl er meer dan voldoende evidentie is dat die protocollaire aanpak juist niet werkt. Men doet een follow-up drie tot zes maanden na een kortdurende behandeling en zegt dan: zie je wel, het werkt. Maar als je twee jaar later kijkt, zie je dat dezelfde patiënt ondertussen al drie keer een kortdurende behandeling heeft gedaan. De Duitse zorgverzekeraars hebben onderzocht wat op het gebied van psychotherapie voor hen het voordeligst was. Dat bleek langdurige, intensieve psychotherapie te zijn. Veel goedkoper, omdat je psychiatrische opnames vermijdt. Eén maand in een psychiatrische instelling kost een fortuin.’

De hoogleraar psychodiagnostiek is een fel criticus van het alom gebruikte handboek Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Aan de vijfde versie daarvan wordt momenteel de laatste hand gelegd, en hij heeft er weinig vertrouwen in. ‘De DSM-5 is eigenlijk geschreven als een verlengstuk van de farmaceutische industrie. De mensen die in de werkgroepen zitten, moeten nu hun belangenvermenging aangeven. Nu weten we wie er gekoppeld is aan de farmaceutische industrie, terwijl men dat vroeger alleen kon vermoeden, maar er wordt niets mee gedaan. Er zijn ook nagenoeg geen onafhankelijke mensen meer binnen die wereld. Het is vreselijk, maar het is zo. De reactie van de British Psychological Society, toch een van de oudste beroepsverenigingen, op de concepttekst van DSM-5 is vernietigend. Maar met de kritiek gebeurt niets. Het boek komt er en het zal gebruikt worden.’

U noemt psychische stoornissen morele afwijkingen. Waarom?
‘
In de woorden normaliteit en abnormaliteit zit al het woordje norm. Je kan in de geschiedenis heel mooi zien dat psychische stoornissen evolueren met het maatschappelijke model. Elke maatschappij is zowel gezond- als ziekmakend. Elke maatschappij definieert zijn ideale burgers, zijn ideale identiteit, en daarmee ook de afwijkingen. Mensen die een psychische stoornis hebben, beantwoorden niet aan dat ideale model. Wat de oorzaak daarvan is, is weer iets anders. Dat zal voor een flink stuk te maken hebben met de opvoeding en de identiteitsverwerving en met een aantal individuele factoren, waaronder ook lichamelijke. Schizo frenie is de meest onderzochte psychiatrische stoornis. Iedereen, ook ikzelf, is ervan overtuigd dat het mede genetisch bepaald is. On der tussen weten we dat die genetische bepaaldheid zich beperkt tot vijftien, twintig procent. Er zijn dus meer argumenten om schizofrenie als een sociale stoornis te beschouwen. Heel die hype rond “wij zijn ons brein”, het idee dat het ons gedrag volledig zou bepalen, is wetenschappelijk gezien grotendeels larie.’

U zegt dat psychische stoornissen tijd- en maatschappijgebonden zijn. Maar zijn psychoses niet van alle tijden?
‘
Daar geef je meteen het enige ziektebeeld waarvan we met zekerheid weten dat er een genetische component is. Als je er een tweede noemt, zitten we meteen binnen de neurologie en hebben we het over ziektes als alzheimer. Wat je bovendien ziet, is dat de verschijningsvorm van de psychose heel sterk omgevingsbepaald is. In de klassieke vorm van de psychose voor pakweg 1910 staat de megalomanie centraal. De psychoticus denkt Napo leon of Christus te zijn. Na 1918 kantelt dat naar de melancholie, de psychotische depressie. De Nederlandse psychiater Rümke is de eerste geweest om daarop te wijzen. Voor 1910 stond West-Europa met het kolonialisme aan de top. Na 1920 lag het hele continent in puin. De psychose die we nu zien, is de versplintering, de mensen liggen compleet uit elkaar. Ook een spiegeling van wat vandaag gaande is.’

Psychische stoornissen definieert u als bio-psychosociale uitingen bij het individu van ruimere maatschappelijke problemen. Waarom is het autisme van een kind dat opgroeit in een volstrekt normaal, 
stabiel gezin de uiting van maatschappelijke pro
blemen?
‘
Ik was dertig jaar geleden betrokken bij de oprichting van de eerste instelling voor autistische kinderen in Vlaanderen. Ze hadden vijftien kindjes tussen vier en acht. Geen enkele daarvan sprak, met geen enkele had je oogcontact. Nu kan je met iemand met een autismespectrumstoornis op café gaan. Die term dekt tegenwoordig een volledig andere lading, het is een soort harmonicabegrip geworden. De gemeenschappelijke factor is sociale angst, het niet kunnen omgaan met de ander en met frustratie. De oorzaak daarvan vind ik wel heel duidelijk liggen binnen de maatschappelijke organisatie vandaag. De sociale angst is ernstig gestegen en de ander is in essentie een bedreiging.’

Kan een driejarige dat al voelen?
‘
Ja. Je mag kleuters niet onderschatten. Het is niet omdat het kind een problematiek heeft dat de oorzaak bij de ouders gezocht moet worden. Je moet ruimer kijken. Je kan het eigenlijk alleen maar achterhalen als je voldoende tijd krijgt om te kijken wat er aan de hand is. Maar nu wordt er onmiddellijk een stoornis aan gekleefd, en die stoornis heeft hetzelfde label-effect als pakweg dertig jaar geleden. Ik vind dat een verkeerde houding. Je moet niet ontkennen dat een kind een probleem heeft, maar wel zo lang mogelijk wachten met die labels.’

En geen Ritalin geven.
‘
Als ik een lezing geef, is er altijd een ouder die vraagt: als u een kind zou hebben met ADHD, zou u dan geen Ritalin geven? En dan is mijn antwoord altijd: neen, nooit. Het is een amfetamine-derivaat. Dat geef je niet aan kinderen, help. Het is eigenlijk speed en kinderen met zin voor commercie verkopen het op het speelplein als peppillen. Kinderhersenen zijn nog volop in ontwikkeling en de omgevingsinvloeden, waaronder dit soort medicijnen, kunnen ernstige effecten hebben. Wat dat betreft, sta ik volledig achter de hersenspecialisten. Alsjeblieft, let op met dat soort medicijnen.’

Ontmoeten uw ideeën veel weerstand?
‘
Ja. Een van de zaken waar het zeker mee te maken heeft, is dat de grote meerderheid van de collega-hoogleraren psychologie geen praktijk hebben. Ze onderwijzen een vak dat ze niet beoefenen. Ze hebben geen empirische controle over de dingen die ze vertellen. Ik heb dat wel. Ik heb al een aantal keren tegen een collega die heilig gelooft in protocollair werken gezegd: ik zal u eens een borderlinepatiënt sturen. Laatst was ik op een symposium over diagnostiek. Altijd komt het vroeg of laat op ADHD uit. Er was een collega kinderpsychiatrie die heel dat neurobiologische model volgt en die die diagnose met hand en tand aan het verdedigen was. Als het mij te gortig wordt, durf ik af en toe serieus uit de hoek te komen. Ik vroeg haar me uit te leggen waarom ze maar half zo veel diagnoses had als ze de International Classification of Diseases (ICD) van de Wereldgezondheidsorganisatie gebruikt dan als ze de DSM hanteert. Dat kon ze ook niet verklaren. Dat klopt wetenschappelijk toch niet?’

Hetze
Zelf is Verhaeghe psychoanalyticus. Juist die stroming is in de afgelopen jaren weggezet als onwetenschappelijke charlatanerie. Daar heeft hij in België niet zo veel last van, zegt Ver haeghe. ‘Het woord doet hier nauwelijks een belletje rinkelen. Heel die hetze rond het al dan niet wetenschappelijk zijn van de psychoanalyse hebben we hier maar een klein beetje gehad. Wij zijn ook nadrukkelijk bezig met de hechtingstheorie, de hedendaagse vorm van psychoanalyse, die wel evidence based en empirisch onderbouwd is.’

‘Elke maatschappij definieert zijn ideale burgers en daarmee ook de afwijkingen’

In Liefde in tijden van eenzaamheid(1998) schreef u dat door het wegvallen van duidelijke ideologieën de moderne intellectueel een incarnatie was van Hamlet, steeds twijfelend, nimmer handelend. U lijkt juist nogal zeker van uw zaak. 
‘
Ik heb dat geschreven omdat het mijn spiegelbeeld was. Ik moest beslissingen nemen, en ik was altijd aan het twijfelen. Ik begon mijzelf te ergeren aan mijn eigen spiegelbeeld, omdat ik op snelheid gepakt werd door mensen die naar mijn gevoel intellectueel zwak waren, maar op grond van zwart-witdenken een aantal beslissingen erdoor dramden. Ik heb vanaf dat moment het besluit genomen dat ik mezelf voldoende tijd zou geven om iets goed te leren kennen, maar na verloop van tijd naar buiten moest kunnen komen met een conclusie. In het Frans zegt men: Il y a un temps pour comprendre et un moment de conclure . Wat ik ook geleerd heb, is dat wanneer je iets voor een algemeen publiek te genuanceerd brengt, het niet overkomt. Mensen verliezen zich in de nuanceringen. Ik schrijf veel te ongenuanceerd naar mijn eigen intellectuele oordeel, maar ik doe dat bewust om de boodschap over te brengen. Mocht ik dit boek geschreven hebben zoals ik het zelf denk, geen kat zou het lezen, want het zou drie keer zo dik zijn.’

Maar over de kern van uw diagnose – we hebben een nieuwe, neoliberale identiteit – twijfelt u geen seconde.
‘
Die blijft, daar is een overvloed van klinische bewijzen voor.’

In hetzelfde boek sprak u de vrees uit dat seks een kwestie van goede of slechte techniek is geworden. Past dat ook in de neoliberale prestatiemaatschappij?
‘
De weerslag op ons liefdesleven is misschien het allerbelangrijkste. Elk ethisch systeem heeft twee centrale elementen: het idee van een tekort en het idee van zelfbeheersing. De neoliberale ethiek – wat ik een contradictio in terminis vind – gaat ervan uit dat elk tekort perfect invulbaar is en we zo veel mogelijk moeten genieten. Dus lopen we van partner naar partner in de hoop op totale vervulling. We shoppen tot we alleen achterblijven.

’

Paul Verhaeghes ‘Identiteit’ (De Bezige Bij, 272 p., €19,90) verschijnt op 23 augustus.

Door Tomas Vanheste